Main content

Geschreven door John Muchangi, vertaald door Christy de Back

Ieder jaar rond Valentijnsdag wordt Fatuma Murugi er weer aan herinnerd hoe moeilijk het voor haar is om van haar baan in de bloemensector te houden. Ze woont in Naivasha, ongeveer 90 km ten noordwesten van Nairobi, de hoofdstad van Kenia. Dit is het hart van de bloemensector in Kenia. Ze woont in de wijk Karagita, een sloppenwijk met ongeveer 27.000 inwoners. De meeste mensen in deze wijk hebben tijdelijke contracten bij de grote bloemkwekerijen rondom Lake Naivasha.

Fatuma (28) is gediplomeerd verpleegkundige en woont in een eenkamerwoning van 3 bij 3 meter op de begane grond van een stenen gebouw. Fatuma heeft een wit doek opgehangen om haar kamer te verdelen in een slaapkamer, een keuken en een woonkamer. Verder staat er een tafel, twee krukjes en een extra bed tegen de muur. Het ‘plafond’ van haar huis bestaat uit een zwart-witte doek. Er ligt een versleten, blauw vloerkleed op de grond.

“Oorspronkelijk kom ik uit Kakamega in het westen van Kenya (290 km van Naivasha),” vertelt Fatuma. “Vier jaar geleden ben ik hiernaartoe gekomen, toen ik klaar was met mijn opleiding. Ik heb verpleegkunde gestudeerd aan de AIC Maseno School of Nursing, en kwam naar Naivasha op uitnodiging van mijn oom om hier naar werk te zoeken. De bloemkwekerij waar ik nu werk, was een apotheek aan het opzetten en ik had gehoopt dat ik daar kon gaan werken.”

Corruptie

In 2016 solliciteerde ze op een functie als verpleegkundige, maar ze kreeg ander werk aangeboden in de bloemkwekerij gedurende de periode dat de apotheek werd opgezet. “Het was echt de bedoeling dat ik in de apotheek zou gaan werken zodra die klaar was. Maar ik kreeg die baan niet omdat er sprake was van vriendjespolitiek; de leidinggevenden gaven die banen liever aan familieleden. Of je moest iemand omkopen om zo’n baan te krijgen, maar daar had ik geen geld voor. Dus ik mocht aan de slag als sorteerder. Ik sorteer bloemen met verschillende grootte en lengte.”

Campagnes van Hivos en Fairtrade

Als starter op de arbeidsmarkt vond Fatuma het heel moeilijk om te overleven. “De kwekerij gaf ons geen goede, beschermende kleding. We droegen gewoon onze eigen kleren. We werden heel vaak geprikt en verwond door de doornen aan de rozen,” zegt Fatuma. “Toen ik begon, verdiende ik 62 US dollar per maand (dat is net boven de wereldarmoedegrens van 1,90 US dollar per dag). Mijn huur was 8 US dollar en na alle aftrek van premies en belastingen én een voorschot van 20 US dollar kreeg ik nog maar 30 US dollar uitbetaald aan het einde van de maand. Naarmate ik er langer werkte, en dankzij de inzet en campagnes van organisaties zoals Hivos en Fairtrade, is mijn maandloon nu gestegen naar 140 US dollar. Nieuwe arbeidskrachten krijgen hier soms maar 40 US dollar per maand. Mijn loon is nog steeds te laag om alles van te kunnen betalen, zoals eten en drinken, de huur en het schoolgeld van mijn zoontje.”

Fatuma’s maandlasten

Het is woensdag, de enige dag in de week dat Fatuma kan uitrusten. Tijdens het interview komt Fatuma’s zoontje Jayden naar huis om tussen de middag te eten. Hij draagt een wit overhemd en een grijze korte broek. Zijn moeder heeft geen eten gekookt, dus ze geeft hem wat kleingeld om een donut van te kopen. Jayden is 4 jaar en zit op een kleuterschool hier in de buurt. Fatuma vertelt verder: “Ieder kwartaal betaal ik 30 US dollar schoolgeld voor mijn zoontje. Elke maand betaal ik 15 US dollar voor huur. Per maand geef ik ongeveer 50 US dollar uit aan eten en drinken. Ik moet elke maand een nieuwe gastank kopen om te kunnen koken en die kost 7 US dollar. Met mijn lage loon kan ik alleen ugali kopen (maïspap) met omena (sardientjes) of sukuma wiki (boerenkool). Mijn zoontje en ik eten maar twee keer per maand vlees.”

Een lening van haar werkgever

Fatuma heeft onlangs een lening van 200 US dollar afgesloten bij de spaarbank voor werknemers van de bloemkwekerij om haar eigen salon te openen. Het is heel moeilijk voor een bloemenplukster om beter werk te vinden, vooral omdat men door dit soort leningen aan de kwekerijen vastzit. Fatuma vertelt: “Neem mijzelf nu als voorbeeld. Vorig jaar september heb ik 200 US dollar geleend om mijn eigen bedrijf op te zetten. Elke maand houdt de kwekerij 30 US dollar van mijn loon in zodat ik die lening terugbetaal. Ik ben met mijn eigen bedrijf begonnen omdat mijn baan als bloemensorteerder niet goed genoeg betaalt, maar ik kan daar pas weg als de lening terugbetaald is. Met mijn eigen bedrijf verdien ik meer dan bij de kwekerij, en over een tijdje wil ik graag stoppen als bloemensorteerder om me helemaal te kunnen richten op mijn eigen bedrijf.”

Ze gelooft er heilig in dat haar leven zou veranderen als de bloemkwekerij haar een beter loon zou betalen. Ze maakt al plannen voor als ze extra geld gaat verdienen. “Ik zou heel tevreden zijn met een maandloon van 200 US dollar per maand. Dan hoef ik geen geld te lenen om in mijn levensonderhoud te voorzien en om mijn bedrijf voort te zetten. Met een beter, leefbaar loon, zou ik meer in mijn eigen bedrijf investeren.”

“Een beter maandloon zou rozenpluksters echt helpen. Beter onderwijs voor hun kinderen. Betere woningen. Arbeidskrachten zouden ook gemotiveerder zijn om harder te werken. Door deze te lage lonen, melden sommige medewerkers zich ziek zodat ze tijd voor bijbanen hebben zoals vissen vangen in het meer of kleding wassen voor anderen tegen betaling.”

Verhalen van andere rozenpluksters

Lees het verhaal van Eunice Ama, rozenplukster in Kenia
"Met een leefbaar loon kan mijn familie gezond eten."

Lees het verhaal van Dorcas Zvanyadza, rozenplukster in Zimbabwe
“Met een leefbaar loon zouden mijn kinderen en ik gevarieerder kunnen eten."

Lees het verhaal van Elizabeth Winzinia, werkzaam op een bloemkwekerij in Zimbabwe:
"Met een leefbaar loon kan ik boeken voor mijn kinderen kopen."

Lees het verhaal van Mercy Njeri, rozenplukster in Kenia
"Met een leefbaar loon kan mijn zoon naar school."